Download

Download

Technisch groothandel Rensa pakt CO2 aan met biobrandstof

19-03-2018

Technisch groothandel Rensa pakt CO2 aan met biobrandstof

Technisch groothandel Rensa is in januari van dit jaar begonnen met een pilot van de biobrandstof HVO (Hydrotreated Vegetable Oil). Van de 45 vrachtauto’s die het bedrijf heeft, rijden 5 auto’s op een brandstofmengsel dat bestaat uit 80 procent diesel en 20 procent HVO. Dit levert Rensa een CO2-reductie op van 17,8 procent. Om de transitie naar duurzaamheid te versnellen, beseft de technisch groothandel dat enkel het reduceren van de CO2-uitstoot van zijn transport en logistiek niet voldoende is.

Rensa begon in 1953 als een bedrijf dat voornamelijk olie- en kolenkachels verhandelde. Inmiddels is de technisch groothandel in Nederland een van de grootste aanbieders van producten op het gebied van verwarming en ventilatie. Als leverancier van onder andere verwarmingsinstallaties, heeft Rensa direct te maken met installateurs, zoals het installatiebedrijf Van Dorp. De installateurs krijgen vervolgens opdrachten van grote bouwconcerns, zoals Heijmans en Strukton. De bouwconcerns vragen van de installateurs en hun leveranciers om duurzaamheid concreet te maken in de bedrijfsvoering en in de uitvoering van de opdrachten. Daar speelt de CO2-Prestatieladder een belangrijke rol in.

Waardevol systeem

“In 2010 zijn wij begonnen met de CO2-Prestatieladder”, vertelt Jur Hofland, coördinator duurzame logistiek bij Rensa en verantwoordelijk voor de implementatie van de CO2-Prestatieladder binnen de organisatie. “De partijen waarmee we samenwerken, vroegen naar duurzaamheid. Voordat we gecertificeerd werden op de CO2-Prestatieladder, werkten we al aan het programma Lean & Green, dat bedoeld is om duurzaam transport en logistiek binnen Rensa te stimuleren. We hebben de stap naar de CO2-Prestatieladder bewust gemaakt, omdat het systeem ook andere aspecten van de bedrijfsvoering onderdeel maakt van CO2-reductie, en niet alleen transport en logistiek. Verder hebben veel van de organisaties waarmee we samenwerken ook een certificaat op de ladder. Met de CO2-Prestatieladder hebben we daarom een systeem dat waardevol en bekend is binnen de bouwsector.”

CO2 reduceren met duurzame brandstof

Volgens Hofland veroorzaken transport en logistiek de grootste hoeveelheden CO2-uitstoot binnen Rensa. “Onderdeel van onze dienstverlening is dat we onze producten op de juiste plek en op het juiste moment bij onze klanten leveren binnen 24 uur. Dat doen wij met onze eigen vrachtwagens. Als we kijken naar de CO2-voetafdruk van het bedrijf, dan is diesel de grootste vervuiler. Daarom zijn we in januari van dit jaar onder andere begonnen met HVO”, vertelt de projectcoördinator. Deze brandstof wordt gewonnen uit plantaardige afvaloliën en – vetten, zoals frituurvet. Gedurende een jaar zal Rensa de brandstofvariant B20 testen, die voor 20 procent uit HVO bestaat en voor 80 procent uit diesel. Hiervoor werkt Rensa samen met autofabrikant Renault, die de motoren van de vrachtwagens geschikt maakt om op B20 te rijden, oliedistributeur Kuster Olie en leverancier Vissers Olie.

Het gebruik van de biobrandstof ziet Rensa als een kans en toepasbare maatregel om CO2 te besparen. Vanuit de CO2-Prestatieladder worden gecertificeerde organisaties gestimuleerd om dergelijke maatregelen uit te voeren middels de Maatregellijst. De lijst met CO2-reductiemaatregelen is onderverdeeld naar veelvoorkomende activiteiten van organisaties die deelnemen aan de CO2-Prestatieladder. Op basis van de Maatregellijst is Rensa dankzij de toepassing van HVO vooruitstrevend op het gebied van transport en logistiek.

De technisch groothandel heeft zich tot doel gesteld om in de toekomst het percentage HVO in de brandstofmix te verhogen en meer vrachtauto’s te laten rijden op de duurzame brandstof. “In de praktijk is het aantal vrachtwagens dat op HVO kan rijden nog beperkt. Dat komt omdat er nog maar een beperkt aantal punten is waarop de vrachtwagens HVO kunnen bijtanken. Het gebruik van HVO is voor Rensa eigenlijk geen pilot meer. Maar we willen ook aan het idee wennen en kijken wat de mogelijkheden zijn. Dat hadden we niet kunnen doen zonder de olieleveranciers en Renault”, zegt Hofland.

Geef duurzaamheid de tijd

De coördinator duurzame logistiek ziet kansen voor duurzaamheid om daadwerkelijk slagen te maken in de keten en markt waarin Rensa actief is. “Voordat we begonnen aan de CO2-Perstatieladder, lag de focus van duurzaamheid binnen de organisatie op kostenbesparing. Wanneer je duurzaamheid relateert aan kostenbesparing, is het natuurlijk gemakkelijker om draagvlak te creëren binnen de organisatie. Nu zijn we inmiddels een paar jaar verder en zien we dat de transitie naar duurzaamheid aan het versnellen is. De nadruk ligt dan niet zozeer op kostenbesparing. En daar is HVO een mooi voorbeeld van, omdat HVO juist meer kost dan de veelgebruikte diesel. Toch kiezen we voor HVO, omdat we CO2 willen besparen. Mijn ervaring is dat er tijd nodig is om duurzaamheid op gang te brengen in de organisatie.”

Naast het gebruik van HVO, heeft Rensa zijn beleid op het gebied van personenmobiliteit aangepast. “We hadden  de criteria voor personenauto’s ingesteld op basis van energielabels, maar dat zegt eigenlijk niet zoveel. Daarom hebben we de criteria aangepast naar hoeveel onze personenauto’s maximaal aan CO2 mogen uitstoten. Als een medewerker bijvoorbeeld een auto heeft uitgezocht die niet in deze criteria valt, dan moet de medewerker een andere auto uitzoeken.” Verder heeft Rensa plannen voor duurzame nieuwbouw en het verduurzamen van zijn businessmodel door samen te werken met een organisatie die onderdelen van Rensa’s producten reviseert. Hiervoor worden gebruikte producten ingeleverd, waarna bruikbare onderdelen van deze producten worden gereviseerd en vervolgens als refurbished producten hoogwaardig worden teruggebracht in de keten.

Hofland: “Het inbedden van duurzaamheid in organisaties is een van de meest complexe onderwerpen. Wanneer bedrijven zeggen dat duurzaamheid in hun DNA zit, geloof ik ze daarom niet zo snel. Er zijn bedrijven die daadwerkelijk duurzaamheid in hun DNA hebben, maar dat komt dan voornamelijk door hun businessmodel. Zij verdienen geld aan duurzaamheid. Bij ons is dat nog niet het geval. Het begint te komen als we kijken naar onze producten, maar ook daarin zijn we afhankelijk van onze leveranciers, de bedrijven waarmee we samenwerken en uiteraard de markt. We zijn vooral nog bezig om duurzaamheid in ons denken te krijgen, om mensen daarin mee te krijgen. Dat kost tijd. Ik geloof dat het een reis is die je samen maakt en realiseer me dat we op moeten schieten. Het duurzaamheidsaspect wordt binnen Rensa al meegenomen in de beslissingscriteria en dat maakt al een groot verschil.”